Aanleuning: op weg naar goede communicatie

Op Bewegen zonder Pijn worden meest voorkomende problemen aan de gewrichten en weke delen besproken: artrose en peesblessures. Maar het zou naïef zijn om te denken dat daarmee alles gezegd zou zijn. We zijn begonnen met uit te leggen dat een paard niet gemaakt is om op te zitten. En dat juist de interactie tussen alle weke en benige delen bepalen of een paard zonder problemen kan bewegen. Deze interactie kunnen we aanleuning noemen.

Aanleuning

Wat is aanleuning?

Volgens de definitie van de KNHS is aanleuning de licht verende druk die het paard aanneemt op de teugel als gevolg van de voorwaartse inwerking van de ruiter nadat deze contact heeft aangenomen. Op het moment dat het paard aanleuning neemt, voelt dat als een licht verende verbinding doordat het paard de onderkaak tegen het bit aanlegt en de ruiterhand aanneemt. Een paard dat in aanleuning gaat neemt een verende verbinding aan de teugels als gevolg van een vermeerderd ondertredend achterbeen en een losgelaten en welvende rug. De aanleuning – ook wel “het bit aannemen” genoemd – is een initiatief van het paard. Contact gaat dus uit van de ruiter en aanleuning gaat uit van het paard.

Hand, teugel en bit dienen voor het overbrengen van de communicatie en mogen niet krachtiger zijn dan dat voor deze communicatie nodig is. Een paard heeft een goede aanleuning wanneer het gewillig de teugel aanneemt en volgt. Aanleuning mag nooit bereikt worden door terugwerkende teugelhulpen.

Wat is nageeflijkheid?

Nageeflijkheid is onlosmakelijk verbonden met aanleuning, maar betekent wel iets anders. Met nageeflijkheid wordt de losgelatenheid in het nek- en kaakgewricht bedoeld. De nageeflijkheid ontstaat als gevolg van een toenemende ondertreding van het achterbeen. De (teugel)hulpen kunnen door de ontspanning in nek en kaken beter doorkomen.

Ontstaan van de aanleuning

Aanleuning komt tot stand als een paard ontspannen gaat, losgelaten is en aan de hulpen van de ruiter staat. De ruiter heeft het paard onder controle en het paard gaat met impuls, door vertrouwen in de hand van de ruiter te hebben en als de ruiter een onafhankelijke zit en een stille hand heeft. Aanleuning wordt dus onderhouden door voorwaarts drijvende hulpen, een ononderbroken en harmonieuze samenwerking van hand en zit en onderbeen. Ook hoort een paard voor een goede aanleuning een goede mond te hebben dat wil zeggen levendig en kauwend op het bit.
Het ontstaan van aanleuning bij het paard komt op drie punten tot stand:

  • Het been;
  • Zitvlak, knie en heup;
  • Teugelcontact

Deze drie factoren bepalen samen dan de kwaliteitsvolle aanleuning die tot een volkomen harmonie en begrip van paard en ruiter leiden. Het paard neemt het bit aan en treedt als het ware ‘aan de hand van de ruiter’. In het Engels aangeduid als ‘acceptance of the bridle’. Zo ontstaat aanleuning.
Aanleuning is een van onderdelen van het zogenaamde ‘skala der ausbildung’ (scala van de africhting). De verschillende onderdelen van dat scala kunnen niet los van elkaar kunnen worden gezien. Alle begrippen hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. Bij het africhten en scholen van paarden is het scala een belangrijke richtlijn.

Goede aanleuning

Een mens is niet gemaakt om op een paard te zitten

Om een goede aanleuning te creëren, kunnen er verschillende dressuurmatige oefeningen gereden worden om het paard in de aanleuning te verbeteren. Denk hierbij aan tempowisselingen en wendingen.
Het paard dat in aanleuning komt, reageert op de allerkleinste hulp van de ruiterhand. De mond van het paard voelt ‘zacht’ aan. Zacht met weinig gewicht, of zacht met meer gewicht. Zacht is namelijk niet absoluut gelijk aan licht. Om een fijne aanleuning te krijgen is het belangrijk een nageeflijke ruiterhand te hebben.

Het paard kan alleen maar nageeflijk zijn als de ruiterhand nageeflijk is. Het zal nageeflijk reageren (weggaan van de druk) als het nageeflijk daartoe wordt uitgenodigd. Een zachte hand betekent dus ook niet zomaar lange teugels. Bij de aanleuning komt het erop neer, dat de energie die achteraan ontstaat terug kan vloeien. Het paard dat ‘durchlässig’ is, zal in feite met een lichte druk van de hand volledig doorkomen met de achterhand en ‘gaan zitten’.

Problemen in de aanleuning

Een paard dat in een fijne aanleuning loopt en goed van achter naar voor gereden is, zal de hand ook volgen als we toestaan. Blijft het paard in een zogenaamde zelfhouding lopen terwijl we de hand toestaan, dan ontbreekt er iets in de aanleuning. Aanleuning is dus niet alleen het contact met de mond van het paard en de mooie ronde houding in hoofd, nek en hals.

Hangen in de mond

Het paard pakt het bit vast, spant zijn kauwspieren en eigenlijk alle spieren in de bovenlijn, die van nek tot staart loopt. Bijna altijd zien we hierbij een opengesperde mond, een verkleurde tong en draderig slijm. Verder zien we niet één kenmerk van nageeflijkheid. Het paard loopt meestal ook te veel op de voorhand. De mond voelt niet zacht en elastisch, maar als een blok beton, waardoor we veel te veel kilo’s in de hand hebben. Ieder gezond paard zonder belemmeringen door gebit, bit, zadel of iets dergelijks kan nageven en in fijne aanleuning lopen.

Achter de teugel lopen

Een paard dat het bit loslaat en zich oprolt, loopt achter de teugel of (zoals ook wel gezegd wordt) achter het bit. Soms heeft het paard zijn tong over het bit gewrongen. Het bit werkt dan direct op de onderkaak (op de lagen) en dat is een zeer onprettig gevoel voor een paard. Het paard ontwijkt het bit door het niet te accepteren en zich te verstoppen voor de hand. Een paard kan ook achter de teugel lopen terwijl de tong gewoon netjes onder het bit zit.
Wanneer een paard deze problemen vertoont, begin dan altijd eerst met het inspecteren van de mond. Een ander lichamelijk probleem kan ook de rug zijn. Als het paard achter de teugel komt, kan dit ook een gevolg zijn van te weinig impuls, een te strenge hand of een combinatie van beide.

Hoofd omhoog (‘sterren kijken’)

Paarden die sterren kijken spannen de spieren van de onderhals sterk aan, houden hals en hoofd omhoog gericht richting de sterren, vandaar de term: sterren kijken. Er zijn veel overeenkomsten met de symptomen van het hangen op het bit. Het paard drukt zijn rug naar beneden en houdt zich in de hele bovenlijn vast. Hierdoor kan het paard zijn bekken niet kantelen met als gevolg dat het achterbeen niet door kan treden naar voren en onder de massa komt.
Bij dit probleem is het verstandig om te beginnen met het uitsluiten van lichamelijke klachten en mondproblemen door het gebit. Sluit vervolgens de problemen uit van een niet passend zadel. Probeer er achter te komen of uw keuze van bit de juiste is.

Kantelen

Als het paard recht op ons af komt, kun je dat direct duidelijk waarnemen. De neus gaat naar links of rechts en de nek in de tegenovergestelde richting. Kantelt het paard naar links, dan zien we dat het linker oor hoger komt dan het rechter, terwijl de neus naar links wijst. Kantelt het paard naar rechts, is het rechteroor hoger dan het linker en de neus naar rechts.
Vaak zit de oorzaak in de mond. Natuurlijk moeten ook bij het kantelprobleem eventueel lichamelijke klachten uitgesloten worden. Maar rijtechnisch kan een scheef inwerkende ruiter eveneens dit kantelen veroorzaken. Te veel op de binnenteugel inwerken in de wendingen is vaak ook een oorzaak. Scheef zitten in het zadel is ook een veel voorkomend probleem. Neem dan zitles zodat u weer recht in het zadel zit en leert mee te zijn met de beweging van uw paard. Alleen als je zelf recht zit, kan ook de hand recht worden. Rijd het paard met je binnenbeen naar de buitenteugel en probeer zo weinig mogelijke druk op de binnenteugel te houden. Alleen dan is het paard in staat met zijn hoofd naar je binnenhand te komen. Is je binnenhand te strak, dan moet hij wel kantelen om toch door de wending te komen.

Ongelijke aanleuning

Het paard pakt links vast als het paard niet volledig ontspannen loopt en van nature rechtsgebogen is. Als het paard zijn rechterachterbeen in dat geval niet goed onder de massa plaatst, geeft dat zijn weerslag in de linkerteugel. De aanleuning kan dus alleen gelijk zijn op beide teugels als de beide achterbenen evenveel aan de voortbeweging deelnemen.

Overige aanleuningsproblemen

  • Oprollen (het paard houdt zijn rug vast en loopt op de voorhand)
  • Achter de teugel (het paard houdt zijn rug vast en kruipt achter de teugel)
  • Valse knik (het paard geeft na tussen de 3e en 4e halswervel maar niet in zijn lichaam)
  • Tegen de teugel (het paard houdt zijn rug vast)
  • Op de voorhand (het paard loopt op de voorhand en leunt of hangt op de ruiterhand)
Beoordeling van dit artikel:
[Totaal: 1    Gemiddelde: 5/5]
(advertentie)
Gezondheid aan huis